Warning: array_rand() expects parameter 1 to be array, null given in /home/bmeganck/domains/inonsblootje.be/public_html/includes/random_image_generator.php on line 22
inonsblootje
inonsblootje
        
8.11.05
De woordenvlinders (sprookje)
gepubliceerd om 13:56 | bookmark - print - mail

Er was eens een jongetje dat veel meer vragen stelde dan alle grote mensen doen. Het waren ook heel slimme vragen. Vragen waar je lang over moet nadenken, en die dan toch nog moeilijk zijn. Meestal weet ik er geen antwoord op, maar dit keer wel.

"Waar gaan de dingen naartoe die je wil zeggen en die je dan toch niet zegt ?".

Dat kon ik uitleggen, want ik weet iets wat weinig mensen weten : woorden zijn kleine vlindertjes. Als je iets wil zeggen, komt zo'n vlinder tevoorschijn op je tong, en dan vliegt 'ie recht naar het oor van de ander. Of recht naar het hart, soms. Het gaat allemaal heel erg snel, en weinig mensen hebben die woordenvlinders ooit gezien. Vaak kletsen we maar wat, en durven we elkaar niet in het wit van de ogen kijken - laat staan in de mond.

Nu en dan verdwaalt zo'n vlinder. Dan is 'ie de weg kwijt, en de kluts, en het noorden. En komt 'ie niet terecht waar 'ie moet zijn. Dan wou je iets zeggen, maar ging het niet. Of je zou nog net... maar je deed het niet. Dat is jammer, want vaak zijn dat hele mooie woorden. En vaak heb je er later spijt van, dat ze niet uitgesproken zijn.

"Maar waar zijn ze dan naartoe?", vraagt de jongen, "zijn ze voor altijd verloren ? "

Neen, gelukkig niet. Ze zijn wel weg, maar helemaal verloren zijn ze niet. Zo'n verdwaald vlinderwoord vliegt steeds hoger, naar waar de lucht blauwer is dan blauw. Daar wordt het licht al een beetje zilverachtig, en zijn de wolken zacht en mals als dikke donzen kussens. Daar vind je al die verloren vlinders. "Het spijt me", en "ik zie je graag", die zie je daar heel vaak. "Zijn we weer vrienden ?" en "Zal ik je troosten ?", ook. Allemaal dartelen ze door elkaar, zodat niemand nog weet van wie ze komen en voor wie ze ooit waren bestemd. Ook de oude man, die daar woont, weet het niet.

Hij ziet er wat stoffig uit in z'n sjaaltje met ruitjes, z'n blauwe overjas, z'n afgetrapte sloffen. Zelfs bovenop de wolken val je daarmee wat uit de toon. Maar iedereen kent 'm daar als een lieve en trouwe vent. Hij is de concierge van wolkenblok 17/bis, en hij houdt een oogje in het zeil bij lekkende regenbuitjes of een onweer waarop sleet begint te komen. Uiteindelijk kwamen alle verdwaalde vlinders bij hem terecht, omdat zijn wolk zo mooi gewit was en er zo gastvrij uitzag.

Eerst wist 'ie niet goed wat 'ie met al die vlinders aan moest. Maar ze bleven komen, en waren zo mooi en zo divers, dat hij ze uiteindelijk is gaan verzamelen en bewaren. "Ze zijn toch veel te mooi om verloren te gaan ? En wie weet, misschien komen ze ooit nog eens terecht..", zo dacht hij. Hij kocht een enorm boek, van wel 2 op 3, duizenden bladzijden dik. Met fraai gebloemd velourpapier, en ritselende rijstpapieren tussenbladen. Het weegt een ton, en past ternauwernood op zijn tafeltje.

Elk van zijn avonden, en elke vrije zondag, zit 'ie voor z'n grote boek in het zachte maanlicht. Een knikkend lampje maakt een ronde gele vlek op het boek, en werpt lange grillige schaduwen als een vlinder voorlangs komt gevlogen. Z'n bureaustoeltje piept klagerig als 'ie even verschuift. Rondom hem fladderen de woordenvlinders : met trosjes hangen ze aan de tafel en de lamp. En soms op z'n sjaaltje : dat kriebelt ! Eén voor één neemt 'ie ze - héél voorzichtig - vast, en met een eindeloos geduld en liefde legt 'ie de vlinderwoorden in het boek. Het is stil bovenop de wolken, en ook het mannetje zegt niet veel. Oud en wijs, schudt 'ie alleen van tijd tot tijd z'n hoofd.

En als 'ie tenslotte behoedzaam het grote boek sluit voor de nacht, lees je in zwierige letters op de kaft:

" In dit boek staan :
woorden gebroken, ongesproken.
Woorden vervlogen en weggespoeld.
Maar woorden uit een hart gekomen,
en voor een hart bedoelt.
En woorden te mooi, te mooi -
veel te mooi om verloren te gaan."

gepubliceerd om 13:56 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


28.10.05
Vuurtoren (sprookje)
gepubliceerd om 10:36 | bookmark - print - mail

Er was eens een meisje dat leefde in een klein wit huisje aan de kust van een eiland in de zee. Ze had een zijdezachte huid, prachtig lang haar en ogen als diepe donkere edelstenen. In die tijd waren de dorpen nog klein, en de mensen gaven hun huizen geen nummers, maar namen. Het huis waarin het meisje met haar ouders woonde stond bekend als "Het baken van licht hoog boven het water". Het was de vuurtoren van het eiland, en de vader van het meisje was de torenwachter. Hij waakte over de vlam die de schepen waarschuwde voor de verraderlijke kliffen in zee. Het was een rustig leven, en het liet hem veel tijd om te lezen. Stukje bij beetje was de vuurtoren dan ook in een bescheiden bibliotheek veranderd.

Net als haar vader zat het meisje vaak in stilte over de boeken gebogen. Ze had een aanleg voor vreemde talen, en al snel las ze boeken die haar vader niet eens verstond. Ze las de verhalen van lang vervlogen beschavingen, verhalen die verborgen waren in de vreemde kronkels van hun eeuwenoude alfabet.

Ze groeide op en doorbrak haar zwijgende leventje : ze deelde haar verhalen met ieder die ze wilde horen. Van het ganse eiland kwamen mensen luisteren naar haar betoverende woorden. Haar vader nam hun geschenken in ontvangst en gebruikte de inkomsten om de bibliotheek in de vuurtoren nog te breiden.

... een stoffig kuchje, een zacht gefluister... Boeken en geschriften werden in het wilde weg aan de verzameling toegevoegd. Nu rek na rek vol kwam te staan met dikke boekenruggen, kwam de bibliotheek langzaam tot leven. 's Nachts kon je als je stil was, de boeken horen ademen. Een hees gefluister, een droog gekuch. De dikke encyclopedieën snurkten als oude mannen. Jonge novellen schoven vol ongeduld heen en weer op de planken. Woordenboeken kibbelden over spellingswijzen. Schoolboeken dreunden een saaie les op, die iedereen vergat zodra hij het hoorde. Oude tijdschriften probeerden fladderend van de rekken op te stijgen. Jonge romantische dichtbundels weenden zachtjes in het maanlicht.

Maar enkel het meisje kon de stemmen horen van deze levende bibliotheek, die groeide en groeide en langzaam naar de top van de vuurtoren kroop. Al zijn liefde voor de boeken ten spijt, was haar vader nooit in de ban gekomen van hun levende verhalen. Hij verzorgde dus de boeken, terwijl zijn dochter de verhalen onderhield door ze met bezoekers te delen. In stilte hoopte ze de verhalen, door ze telkens opnieuw te vertellen, van de vergetelheid te sparen. Het vertellen ging steeds makkelijker nu ze enkel maar moest vertalen wat de boeken haar zachtjes influisterden.

Haar ouders waren blij dat de goden hen zo'n slimme en ijverige dochter had geschonken. Ze schonk zoveel aan het gezin, dat ze met liefde alles kreeg wat haar hartje verlangde. Ze werd vertroeteld en leed nooit honger, dorst of kou. Haar moeder bakte de fijnste cakes en de heerlijkste taarten. Ze kon chocolade eten zoveel ze maar wilde en drinken waar ze zin in had. In beslag genomen door het aanscherpen van haar geest, verwaarloosde ze echter haar mooie lichaam. Ze werd dikker en dikker tot ze geen jong meisje meer was, maar een sterke, zware vrouw. Haar stem werd zwaarder en al gauw kon ze grote groepen mensen toespreken vanaf het dak van het vuurtorenhuis.

Ze was echter nooit tevreden met haar kennis : steeds wilde ze nieuwe boeken. Het kwam zover dat ze enkel nog wilde vertellen aan wie haar rijke giften gaf. Wie geen nieuwe boeken bracht, of geen geld voor de verzameling kon geven, werd niet meer ontvangen. Er kwam een stevig slot op de deur van de bibliotheek, waar nu steeds meer schatten vergaard lagen. Aanvankelijk kwamen de boeken in grote golven binnen. Nadien in kleinere hoeveelheden, en uiteindelijk nog slechts druppelsgewijs. Zonder nieuwe aanvoer werden de verhalen al gauw saai en leeg. Het meisje verloor haar interesse voor het gefluister in de bibliotheek. Wanneer ze verhalen vertelde aan de bezoekers dacht ze aan andere dingen. Het ging niet meer van harte, en ze begon steeds meer geschenken te vragen. Een gesprek met haar werd een dure exclusiviteit. Maar dat hield de mensen niet tegen : ze zagen haar als een nieuw orakel en betaalden grif de prijs.

Wie haar wilde raadplegen moest twee kostbare geschenken aanbrengen : een waardevol boek en een riante maaltijd. Er zijn drie manieren om iemands ware inborst te leren kennen : allereerst de ogen, want in de zuiverheid van het wit kan men hun eerlijkheid peilen. Daarnaast hun voedsel, want dat vertelt je hoe ze hun lichaam verzorgen. Tenslotte hun favoriete boek, want dat verraadt de diepste kronkels van hun geest. Vanuit deze kennis kon ze zonder moeite haar verhalen aanpassen aan de meest geheime wensen van de bezoekers.

De moeder van het meisje koesterde haar dochter, maar werd met het verstrijken van de tijd steeds meer ongerust. Welke jongeman werd verliefd op een dik, verwaarloosd meisje ? Welke man zou ooit trouwen met iemand die altijd veel slimmer zou zijn dan hem ? Welke man zou haar trouw zijn uit liefde, en niet om haar rijkdom ? De mens is zwak, je hoefde geen orakel te zijn om in te zien dat maar weinig mannen trouw konden blijven aan zo'n lelijke vrouw.

Ze sprak hierover met haar dochter, en stelde allerlei manieren voor om terug mooi en slank te worden. Het meisje weigerde alles. Terwijl haar geest zich had ontwikkeld, was haar hart verkild. Niemand gaf om haar schoonheid of de zachtheid van haar hart, enkel om de wijsheid die ze sprak in haar verhalen. Waarom mooi en eerlijk zijn, als enkel die stomme sprookjes van belang waren ? Haar moeder bracht pillen en drankjes, balsems en zalfjes. Wijze woorden van grote magiërs en betoverde liederen. Het meisje weigerde alles, zelfs het advies van de meest geachte doktoren.

Uiteindelijk bedacht haar moeder in wanhoop een list. 's Nachts schreef ze in het geheim een boek over een langvergeten beschaving, opgeslokt door de golven. In detail beschreef ze een mythische bibliotheek waar alle kennis van de wereld verzameld was. Ze spaarde kosten nog moeite om het boek overtuigend af te werken : ze liet een van de bedienden het manuscript herschrijven om zich niet door haar handschrift te verraden. Met het fijnste leder en het duurste papier bond ze het werk in. En op een dag verving ze het boek van een bezoeker door haar eigen werk. Zo gauw haar dochter het werk gelezen had was ze betoverd. Ze kon aan niks anders meer denken dan aan het opsporen van deze oude bibliotheek,het ontdekken van alle kennis van de wereld en de zin van het leven.

Ze trok erop uit om alle boeken ter wereld te verzamelen, en de oude bibliotheek te vinden. Op haar weg dwong ze de mensen om haar al hun boeken te geven. Ze plunderde boekerijen en haar dienaren beroofden dorpen in een lange zoektocht naar steeds meer kennis. Ze ontwikkelde het vreemde vermogen om boeken letterlijk op te eten, om zo haar kennis nog sneller te verwerven. Al snel was het orakel gerespecteerd voor haar immer toenemende kennis, en gevreesd voor haar wreedheid.Uiteindelijk, na alle wegen te zijn gegaan en alle zeeën te hebben bevaren, kwam ze terecht in een klein dorpje in de bergen, waar een wijze man leefde.

Op haar weg vol vernieling had ze vaak over zijn wijsheid horen spreken. Hij moest ongetwijfeld weten waar de oude bibliotheek lag, zo dacht ze. Ze was nu zo machtig dat ze ermee dreigde de man te doden als hij haar niet alles vertelde over de bilbliotheek van het leven. De man verwaardigde zich niet om haar te antwoorden, maar nam haar eenvoudigweg mee naar een meer, nog dieper in de bergen.

" Dit is de plek waar alle wijsheid ter wereld vergaard is. Dit is de overstroomde bibliotheek" zei hij. "Maar niemand heeft haar ooit betreden. Ik kan je de sleutel niet geven want ik heb hem zelf gezocht, maar nooit gevonden. Er wordt verteld dat onder het oppervlak van dit water alle juwelen van de kennis liggen, en ook de wijsheid om ze te verstaan. "

Het orakel was uiteraard niet dom. Ze begreep dat de man haar een raadsel opgegeven had. Meteen duiken en op goed geluk beginnen zoeken was een zekere manier om te mislukken. Enige voorzichtigheid was geboden. Ze wist dat er verschillende wegen tot kennis waren, en ze zou systematisch alle mogelijkheden uitproberen die ze kende om de ingang te vinden.

De eerste dag luisterde ze naar de verhalen van het water zoals ze naar de verhalen van de boeken in de vuurtoren geluisterd had. Maar het water onthulde de geheime plaats van de sleutel niet.

De tweede dag wandelde ze rond het water om de geologie en struktuur van het meer te bestuderen en zo de meest waarschijnlijke plaats van de bibliotheek te bepalen. Uiteindelijk had ze een lange lijst van mogelijkheden, maar geen definitieve kennis.

Op de derde dag begon ze het water te drinken zoals ze ooit begonnen was met het eten van boeken. Misschien school de wijsheid niet onder water, maar in het water zelf. Het water smaakte naar water maar niks gebeurde.

De vierde dag bracht ze in het water door. Ze zwom en dook, speurde het meer af tot op de bodem. Ze verkende alle verborgen holen en grotten onder het water. Maar de bibliotheek bleef onvindbaar.

Aan het eind van de dag was ze zo uitgeput dat ze nog nauwelijks op haar benen kon staan. Ze hees zich moeizaam uit het water en ineengezakt bij de oever kwam ze weer op adem. Ze realiseerde zich dat ze had gefaald. Waarschijnlijk was ze toch niet zo wijs was als ze zichzelf graag voorhield. De oude man was niet langer bang van de vrouw, en kwam dicht bij haar zitten. Het orakel was weer een vermoeid, zwak klein meisje geworden. Tesamen keken ze naar de magnifieke bergen en zwegen een dag en een nacht lang.

Uiteindelijk stond de oude man recht en hielp haar weer op haar voeten. Hij toonde haar haar spiegelbeeld in het water en zei : "dit is alle wijsheid die je ooit zult nodig hebben in het leven". Het was lang geleden dat het meisje in de spiegel gekeken had en ze verwachtte het vette en lelijke beeld dat haar vertrouwd was. In plaats daarvan vond ze een jong en slank meisje. Al het reizen en zwemmen had haar lichaam getraind, hoewel ze enkel naar training van haar geest had gestreefd.

Het meisje was nu zelf een bron van kennis geworden. Wijselijk gebruikte ze haar nieuwgevonden kracht om het kwaad te vergoeden dat ze in haar hebberige zoektocht naar kennis veroorzaakt had. Ze ging terug naar de vuurtoren en opende de deur naar de boeken. Van die dag af vertelde ze aan iedereen die erom vroeg over de wijsheid van lichaam en geest.

gepubliceerd om 10:36 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


17.10.05
Honingsteen (sprookje)
gepubliceerd om 15:46 | bookmark - print - mail

Er was eens een ver, ver land met hoge bergen en lange, kronkelende rivieren. De mensen waren er niet rijk, en hadden vaak te lijden van roversbenden en plunderende legers. Ze droomden van vrede en rust, van grote stoere muren die alle rovers buiten konden houden. En van een leven in een grote stad, want het waren boeren en ze vonden het harde werk maar niks.

Op een dag was een boer zijn akker aan het omleggen, toen plots een bij op zijn ploeg kwam zitten. De boer had nog nooit zo'n bij gezien. Ze was veel groter dan andere bijen, en glanzend wit. Hij hield stil en tuurde aandachtig naar het dier. Het had zijn vleugels toegevouwen en hield het hoofd schuin, alsof het wachtte op de onverdeelde aandacht van de boer.

Maar de boer dierf geen woord meer spreken, en ademde heel zachtjes. De mensen in die tijd luisterden nog naar de natuur, en dit moest wel een heel bijzonder teken zijn. Steeds meer bijen, allemaal net zo groot en wit als de eerste, kwamen naar de plek gevlogen. Ze zoemden eerst wat rond, en landden tenslotte ze één na één op de ploeg. Aan de ploegstaart hing nu een dansende, levende tros, en het hout kreunde onder het gewicht. Nog steeds kwamen er bijen bij. De boer stamelde : "Alle knolrapen! Dit moet ik aan mijn vrienden laten zien !", en snelde met zijn korte beentjes naar het dorp in het dal.

Niet lang daarna trok een lange stoet de heuvel op, naar het veld van de boer. De burgemeester stapte voorop, zwierig in zijn nette pak, z'n hoge hoed vol pluimen. Naast hem de veldwachter, die een beetje beschaamd was wakkergeschrokken uit zijn middagslaapje. Achteraan de zwetende smid, de bebloemde bakker, de mollige vrouw die met mosselen leurde.

"Kijk!" riep de burgemeester na de laatste bocht. "Luister!", gebood de veldwachter. En allen keken en luisterden hoe een hagelwitte wolk van brommende bijen loom boven het veld danste. Van de voren die geploegd waren was niks meer te zien, en zelfs de knotwilgen aan de overzijde waren met moeite te onderscheiden. "Honderdduizend hangijzers ! ", pufte de smid. "Goeie grutten ! " fluisterde de bakker. "Alle oesters !" kraste de vrouw die met mosselen leurde.

Diezelfde avond was er hoog beraad in de gemeentezaal. Dit was een wonder, dat stond vast. Maar wat moest men ermee ? De bijen leken niet kwaadaardig, maar zou dat zo blijven ? En wat als er steeds meer kwamen, en de velden onbereikbaar zouden zijn ? Ieder dacht er het zijne over, en het leek alsof er nooit een besluit zou worden genomen. Tot uit het midden van de banken een klein schrander kereltje opstond. "De bijen zullen onze welstand zijn", voorspelde hij, "we moeten ze boven alles te vriend houden. Hun honing zal ons rijk en machtig maken, en niemand zal ons nog ooit durven aanvallen of bestelen, uit angst voor hun angels. Laat ons een huis voor de bijen bouwen. Een toren, zoals men er nog nooit een gezien heeft."

Dat waren wijze woorden. Na nog een beetje pruttelen moest ieder toch wel, mja, toegeven dat dat het beste plan was. Meteen aan de slag dan maar : met ieders bijdrage werd een eerste etage gebouwd van wat men de "Bijenburcht" zou gaan noemen. Het werd een ruw stenen bouwwerk, met grote zeshoekige gaten waarin de bijen hun nest konden bouwen. En hoe ! Nog voor de mortel van de toren droog was waren dichte zwermen ongeduldig in de weer met was en pollen. De honing glinsterde in de geurige raten. Anders dan de honing die de mensen kenden was deze dik als suikerstroop en wit als glazuur, maar ook duizendmaal lekkerder. Je moest 'm alleen niet te lang in de zon laten staan, want dan werd 'ie zo hard als steen.

In kleine houten tonnetjes werd hij verscheept naar de dorpen in de buurt, naar de steden dichtbij, en al gauw ook naar verre vreemde landen. Overal werd gretig geld betaald voor de lekkernij. Het kleine dorp, waar de mensen zo arm waren geweest, groeide uit tot een stad, groter en rijker dan ooit een stad was geweest. Ze lag in de schaduw van de bijentoren en vulde de hele vallei. Een stoere verdedigingsmuur liep eromheen, en hield alle rovers buiten. De mensen woonden in weelde en veiligheid. Gedaan was het harde labeur op het land : de stedelingen paradeerden van ochtend tot avond door de geplaveide straten van de stad, in hun meest bonte kledij. Ze kochten alles wat hun hart begeerde.

De Bijenburcht werd intussen hoger en breder gemaakt. Niemand dierf nog schatten hoeveel miljoenen bijen er woonden. Zelfs de Bijenmeester was de tel kwijt, en hield het op "onvertelbaar veel". De Burcht rees de hoogte in als een rots, honderd maal honderd voeten breed en zeven maal zeventig lengtes hoog. Dat trok de aandacht van enkele reuzenkinderen die vijf dalen verderop bomen omver aan het blazen waren - het liefste wat reuzenkinderen doen. Ze trokken op verkenning. Stevig plantten ze hun voeten op de heuvels, en nieuwsgierig bekeken ze de burcht van alle kanten. Ze pulkten met hun reuzevingers in de gaten en klopten met hun knokkels op het dak. Al bij al was het ding niet zo interessant als het eruit had gezien. Bijna wilden ze weer vertrekken om verder te gaan met hun spelletje bomenblazen.

Maar een kwade bij stak een van de reuzenkinderen. De steek maakte het reuzenkind woedend, en het stampte met haar voet de Burcht kapot. De metersdikke muren scheurden en brokkelden af, en uit de barsten vloeiden honderd maal honderd miljoen liters dikke witte honing. Als een trage, stroperige golf van wel twintig meter hoog rolde de brij over de heuvels, en door de vallei. Door de ramen van het fiere stadhuis, over de weidse pleinen, in de grote fontein. De ganse stad verdween, het dal werd helemaal opgevuld. Geen spoor bleef over van de villa van de burgemeester, van het kasteeltje van de stadswacht, van de walmende smidse en de graanschuur van de bakker. Enkel de ruïne van de Bijenburcht, hoog op de heuvel, stak uit boven de witte korst, die als steen zo hard werd in de zon.

Wat een ramp ! De trotse stad was totaal verwoest, en wat nog erger was : de bijen waren bang en wantrouwig geworden. Ze bleven ver uit de buurt van de mensen en als iemand naar hun nesten op zoek ging, vielen ze in grote zwermen aan. De heerlijke witte honing, die de stad zo'n grote rijkdom had gebracht, was nu voorgoed onbereikbaar.Men was nu nog armer dan men voor de komst van de bijen was geweest. Een bittere troost, dat niemand hen nu zou bestelen... geen dief zou iets gevonden hebben in het haveloze troepje verslagen mensen : geen lapje stof, geen halve schoen. "Honderdduizend gensters !" zuchtte de uitgebluste smid. "Alle zemelen !" stoof de bakker. "Kraak en schelvis ! " knarste de oestervrouw.

Wat gedaan ? Ieder dacht er het zijne over. De één zou naar zee trekken en gaan vissen. De ander zou z'n geluk zoeken als bakker in een dorp dichtbij. Iemand zou gaan smeden in een verre vreemde stad.

Een klein schrander kereltje had echter een beter plan. Er zou geen grote, trotse stad meer staan, geen stoere wallen met gevlagde torens. Er zouden geen goudstukken meer binnenstromen, en gedaan was het paraderen over de straten en pleinen. Maar in de honingsteen konden ze wél een nieuw bestaan beginnen. De honingsteen was makkelijk te bewerken : je kon er tunnels en gangetjes in uitgraven, zelfs kamers en huisjes. Tussen de rotsen van honingsteen lagen kleine lapjes goede grond. De stedelingen zouden terug boeren worden, en het leven zou in eenvoud verdergaan. Zo werden overal in de honingrotsen gangetjes en kamers gemaakt, en deurtjes die sloten met een grote ronde steen. Tussen de rotsen kwamen kleine veldjes, waar gerst en gras en granen groeiden.

Met de weken en maanden, met de maanden en seizoenen, seizoenen en jaren verdween de herinnering aan de trotse stad, aan de Bijenburcht, aan de honing en de stoere gevlagde torens. Geen rover of veldheer vond de plek nog de moeite waard, en uiteindelijk vergat men zelfs dat er nog mensen woonden.

Maar in het land van steen kneedde de bakker ongestoord de krenten in het deeg. En de rood aangelopen smid sloeg het ijzer dat het dreunde. De veldwachter knapte een uiltje, en de vrouw met de oesters krijste : "Zoute mosselen, zoete vis ! Zout als de zee, en zoet als honing is ! ".

gepubliceerd om 15:46 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 2 Commentaren | geef commentaar

JP vertelt om 18:17

Een héél bijzondere kijk op de evolutietheorie van Kappadocië, wat leuk past in de context van de door ons bezochte streek.
Plezant om lezen waarbij de herinnering aan de ballonvaart heel sterk naar boven komt.
Bravo, doe zo voort.  

Anonymous vertelt om 20:34

Tof en vlot geschreven sprookje! Had misschien iets breder uitgesponnen beschrijving van het typische landschap van Cappadocië mogen bevatten.
(maar misschien las ik het sprookje door de verkeerde bril, t.t.z. de bril van diegene die er geweest is en niet de 'neutrale' lezer)  

<< Home | 2 Commentaren | geef commentaar


10.10.05
Lorelei (wetenschap)
gepubliceerd om 09:52 | bookmark - print - mail

Autopsieverslag van de Sancta Clupea mummie,
d.d. 26 april 1991.


Aanwezig :
Prof. Dr. Erwick
Prof. emeritus Dr. Wolsey


verontschuldigd :
Prof. Dr. Nipplethorpe


situering
Meerminnen, zowel de zee- als de rivierbewonende soorten, komen in de Droomgewesten vrij frequent voor, maar door hun schuwheid is men er nog nooit in geslaagd een exemplaar te vangen en te conserveren.

Dode exemplaren zijn evenmin gevonden, hoewel men toch zou verwachten dat hun karkassen nu en dan aan het strand zouden aanspoelen. Er is geopperd dat Meerminnen die hun dood voelen naderen verborgen sterfplaatsen opzoeken, in grotten of onder dikke lagen waterplanten (Zülrich et al, 1845). Anderen (Klincknagel & Somers, 1964) menen dat het soortelijk gewicht van Meerminnen veel groter is dan dat van water, waardoor een lijk meteen naar de bodem zinkt. De hypothese dat Meerminnen na hun dood in het water zouden oplossen (Von Nirmitz, 1952) kan als pure onzin van de hand worden gedaan.

Het klooster van Sancta Clupea bewaart een reliekschrijn die de mummie van een Meermin (Sirena sp.) zou bevatten, de Heilige Lorelei of Sancta Clupea. Er is een sterk vermoeden dat deze mummie een vervalsing is, geen werkelijk geconserveerd lijk.

Naar aanleiding van de 25e verjaardag van de heilig-verklaring is ons door het bisdom een wetenschappelijk onderzoek van dit reliek gevraagd. Op dit verzoek zijn wij met graagte ingegeaan.

vaststellingen
Het Sancta Clupea-reliek ligt in een speciaal vervaardigde kristallen kist. Na openen bleek dat de mummificering alvast met verstand van zaken is gebeurd : er hangt geen rottings-geur, en de mummie is licht en droog.

Zelfs bij oppervlakkig onderzoek valt op dat de mummie tweeledig is : boven- en onderlichaam zijn niet in ernst toe te schrijven aan éénzelfde wezen : het bovenlijf is, hoewel geschoren, duidelijk ooit sterk behaard geweest. Het onderlijf vertoont geen tekenen van haargroei.

Onderzoek naar de naad, waar boven- en onderlijf samen-gevoegd zijn, is onmogelijk gemaakt door een kunstige band stof, die als een riem over het middel loopt : de ideale camouflage voor knutselwerk !

Het gezicht van het wezen heeft weinig menselijks, zoals bij Sirenae-soorten doorgaans wel het geval is, met uitzondering natuurlijk van de Wrattige Rioolsirene ( S. acneiformis).

Diverse pongide kenmerken (haargroei, brede neus, heel lange armen, opponeerbare duim) leidden ons naar een duidelijke conclusie omtrent het bovenlijf : het betreft een wijfjesexemplaar van het genus Pan, waarschijnlijk Pan troglodytes (Chimpanzee) of Pan paniscus (Bonobo of Dwergchimpanzee).

Het onderlijf is duidelijk die van een aquatisch zoogdier, dus een rob, zeeleeuw, zeeluipaard,... Door verdroging en ineenschrompeling waren de achter-poten echter moeilijk te bestuderen. Het vlekkenpatroon deed ons het meeste denken aan een zeeluipaard, maar wij geven deze mening met het nodige voorbehoud. Enkel een Röntgenfoto en bestudering van de aanwezige botten kan definitief uitsluitsel brengen over welk dier het precies gaat. Hiervoor kregen wij echter geen toestemming.

Wij brachten onze bevindingen over aan het bisdom, aan wie wij ook beloofden om buiten de academische wereld met niemand over deze resultaten te praten. Daarop gaven wij ons woord, hoewel we niet begrijpen waarom de overduidelijke vervalsing van Sancta Clupea zo angstvallig geheim moet worden gehouden.


Gedaan te Sancta Clupea, 26 april 1991,

(getekend)

Prof. Dr. Erwick
Prof. Dr. Wolsey


Zülrich, Wattenfort, Zaubwitz & Klippstein, "Empfindungen des Lorelei-Lebensgang", 1845, Wallstatt Buchverlag.

Klincknagel & Somers, "Over het soortelijk gewicht van Sirena species",
Journaal voor Experimentele Sirenologie, 14e jaargang, 1964,
p. 17-23.

Von Nirmitz, "Lorelei, of de verborgen waarheid der Aquanauten", 1952, Uitg. Het Derde Oog.

gepubliceerd om 09:52 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


5.10.05
Lorelei (sprookje)
gepubliceerd om 19:54 | bookmark - print - mail

Er was eens een lange rivier in een koninkrijk dat zo groot was dat de zon er nooit onderging. De zonnestralen schitterden in hetzelfde water dat stroomde van de bergen in het noorden tot de oceaan in het zuiden.

Als je die rivier afvoer, dan zag je uitgestrekte groene vlaktes, diepe donkere wouden en hoge bergen. Zo groot was het land dat alles wat mooi was er een plaatsje in gekregen had. Nog voor de mensen vanuit het water gekomen waren had alle leven zich langs de rivier genesteld. Er waren vreemde dieren die nu al lang uitgestorven zijn en enkel in verhalen verder leven. Eenhoorns, griffioenen, centauren, vuurspuwende draken en gevleugelde paarden laafden zich aan het water.

De rivier was een vruchtbare ader waarlangs steden bloeiden waarin de mensen alle schoonheid en rijkdom van het koninkrijk verhandelden. Bootjes met katoen, tarwe, specerijen en al wat waardevol was voeren door berg en dal. Zolang op het water een constante stroom van goederen kon varen was de koning tevreden. Want hij haalde al z'n macht en rijkdom volledig uit handel.

Hoog in het noorden, waar de bergen tegen de hemel op groeiden was er een klein dorpje. Het dorpje lag aan de rechteroever vlakbij het water op een plek waar de rivier volledig ingesloten was door steile rotswanden. De rivier was er ondiep en enkel een ervaren schipper kon veilig tussen de klippen navigeren.

Vaak was het er mistig. Als je dan bovenop de hoogste rotsen zat, kon je beneden een dik wollen deken over het water zien golven. Onder dat mistdeken leefde de bemanning van de schepen in angst. Er werd immers gefluisterd dat een vreemd mengwezen bij mist uit het water opsteeg om de schippers te misleiden. Half vis, half vrouw lokte het de boten naar ondiep water met haar wellustig lichaam en gouden lokken. Vele schepen waren zo reeds vergaan, want geen man kon ontkomen aan de dood eenmaal hij dat wezen aanschouwd had.

Dit wezen was natuurlijk een zeemeermin. Vroeger kwamen zeemeerminnen vaak voor, het waren schepsels met het bovenlichaam van een jonge vrouw en de staart van een vis. Meestal zijn zeemeerminnen of sirenen wezens die hun slachtoffers lokken met gezang, maar dit allerbekoorlijkste wezen kon helemaal niet zingen.

Ze moest het hebben van haar natuurlijke schoonheid en in de mist kon ze de schippers makkelijk verleiden met een dans van verhulling en onthulling. Omsluierd door de mist was ze immers nooit helemaal zichtbaar. Het verlangen om de schoonheid van de zeemeermin helemaal te aanschouwen leidde de schippers op de klippen. Zo vergingen vele schepen in hun hopeloze zoektocht naar de vluchtige bekoring van de zeemeermin.

Omdat niks de handel mocht tegenhouden waren er in het dorp onbevreesde jongemannen die een schip blindelings langs deze gevaren konden loodsen. Tegen betaling brachten zij dan de goederen van de gehaaste handelaren veilig over de klippen. Maar niet alle schippers waren gehaast, want het dorp had meer te bieden dan een veilige doortocht. Er was een zwarte markt waar de lading van vergane schepen verkocht werd. In het dorp was er ook een gans kwartier waar eenzame schippers troost konden vinden in dans, drank en welwillende vrouwen. Gans het dorp leefde eigenlijk in zonde, maar dit werd gedoogd door koning en kerk omdat de handel belangrijker was.

Op een dag besloot de paus het goddeloze dorp te kerstenen. Hij zond een congregatie broeders erop uit om de zondaars morele waarden en geloof in god bij te brengen. Om de dorpelingen de waarde van arbeid te tonen dempten de kloosterlingen een naburig moeras. Op de van het water gewonnen grond verbouwden ze de fijnste gewassen. In de zomer irrigeerden ze het land om hun gewassen te beschermen tegen de allesverschroeiende zon. In de winter bouwden ze dammen tegen de woede van het water.

Omdat de dorpelingen enkel de taal van de zinnen begrepen maakten de monnikken fijne kazen, zoete wijn en heerlijk gebak. De producten van hun arbeid verkochten ze in het dorp aan woekerprijzen. Omdat de dorpelingen zagen dat ze zelf die heerlijke dingen goedkoper konden maken begonnen ze zelf de vruchtbare grond te bewerken. De dieven werden boeren. De hoeren weefsters. De dronkaards bekeerden zich tot het geloof. Er werd een hoge kerktoren gebouwd van waaruit je boven de mist heen kon kijken. Elke dag werden de klokken geluid en steeds meer zondaars vonden hun weg naar kerk en gebed.

Zo ging het een tijdje beter met het dorp. De inwoners waren rijk en goed doorvoed want de kleine stad was nu meer dan een doorvoerhaven alleen. De stedelingen werden geloofd om de vruchten van hun arbeid en al snel verkochten ze hun heerlijke kazen en zoete wijn aan andere steden. Omdat het moeras gedempt was en de mist de bergen in gevlucht was, hadden vele handelaars geen loods meer nodig. Alle jongemannen richtten zich volledig op de arbeid van het veld.

Omdat de mist nu liever met de bergtoppen dan met het water speelde kon de zeemeermin de schippers niet meer bekoren met haar suggestieve dansen. Zonder haar sluier van mist was ze te tastbaar om de mannen nog te bekoren. Ze was nu immers ook van ver zichtbaar en kon de opvarenden niet meer verrassen.

De schippers konden nu ook makkelijk de rotsen in het ondiepe water zien en begonnen in hun hoogmoed zelfs op de meermin te jagen. Zo kwam het dat de meermin onder water moest vluchten en zich nog zelden liet zien. Uiteindelijk werd de meermin niet meer dan een verhaal waar niemand in het dorp werkelijk in geloofde.

Ook lieden van ver buiten het dorp hoorden het verhaal van de gevluchte zeemeermin. Al snel kwamen geleerden om haar te observeren en avonturiers om haar te vangen. Onder hen was een bedrieger van de laagste soort. Deze droomde van snel geldgewin en vluchtige roem.

Hij smokkelde een gedrocht dat bestond uit het bovenlijf van een apewijfje en de staart van een zeeleeuw de stad binnen. Aan iedereen die het horen wilde vertelde hij dat hij het lijkje, dat duidelijk een sirene was, gevonden had tussen de kliffen bij de rivier. Maar in werkelijkheid ging het natuurlijk om een vervalsing die hij met behulp van god weet welke duivel aan elkaar genaaid had.

Hij had wel goed werk geleverd, want van dag tot dag groeide de groep inwoners die dachten dat hij werkelijk de zeemeermin gevangen had. Uiteindelijk werd er een klein museum gebouwd waarin de dode zeemeermin een plaatsje kreeg. Want listige lieden dachten zo een nieuwe bron van inkomsten voor het dorp gevonden te hebben.

Toen de monnikken zagen hoeveel succes het museum had, lieten ze een aparte kapel bouwen in de kerk en namen het lijkje op als relikwie in hun erediensten. In die kapel lag de zeemeermin opgebaard in een doorzichtige kristallen kist, zodat iedereen het wonder kon aanschouwen.

Het verhaal van het sirenelijkje verspreidde zich langs het water naar alle andere steden van het koninkrijk. Al snel stond het dorp niet meer bekend om haar kazen en wijnen, maar om haar kerk van de heilige lorelei, de Santa Clupea. Het verhaal reisde mee met de bemanning van de schepen en zo kwam de ondergedoken zeemeermin te weten dat een andere sirene in de kerk aanbeden werd.

Vanaf dan bleef de sirene steeds in de buurt van het dorp, in de hoop een glimp op te vangen van de dode zeemeermin die er aanbeden werd. De gelovigen hadden de gewoonte om jaarlijks de sirene in haar kristallen kist een rondgang door het dorp te laten maken. Van heinde en ver kwamen gelovigen om deze processie te zien, want de zeemeermin werd genezende krachten toegekend. Toen de zeemeermin in het water het gedrocht dat op het land aanbeden werd zag, schoot ze in een bulderende lach. Ze zou die dorpelingen wel eens leren wat een echte zeemeermin is.

De zeemeermin koelde haar woede op de platte bodems van de schepen, want er was maar 1 echte zeemeermin en dat was zij zelf. Niemand zag haar ooit, maar ze maakte een angstaanjagend kabaal door woest tegen de romp van het schip te bonken. Van een woedende kakafonie groeide het tot een ritmisch gedreun dat deed denken aan de muziek die de donkere duivels uit het zuiden maakten. De meermin had haar betoverende kracht teruggevonden en meer schepen dan ooit werden verzwolgen door de deinende cadans van haar muziek.

De jongemannen van het dorp werden door handelaren van de akkers gelokt om hun kostbare schepen tussen de kliffen te loodsen. De nieuwe jonge helden stopten hun oren dicht met was om het duivelse kabaal niet te horen. Even leek deze list te werken, want er waren terug minder schepen die op de klippen liepen en de handelaren waren tevreden. Daarom deed de meermin iets dat ze nog nooit gedurfd had. Ze begon uit volle borst te zingen.

Ze zong over dood en vernieling, over wat ze zou doen met de verrader die haar veranderd had in een lelijk gedrocht. Ze vertelde dat zij de enige echte meermin was. Dat iedereen bedrogen was door die vreemdeling en door de kerk die het verraad onderdak geboden had. Haar gezangen reikten nu veel verder dan het water. Ze weergalmden in de bergen, daalden af naar het dal en bereikten uiteindelijk het dorp.

Gans de bevolking van het dorp werd betoverd door haar gezang en kwam in opstand tegen de kerk. In een bloedbad dat verschillende dagen duurde werden alle geestelijken en vreemdelingen uitgeroeid. De kerk werd afgebroken. Het valse lijkje verscheurd. De dammen werden opengebroken. De landbouwgrond vernietigd. Schepen werden zonder genade aangevallen en leeggeroofd.

Er heerste een periode van goddeloosheid en al het geboefte van het koninkrijk verzamelde zich in de streek rond het dorp. De mannen werden rovers, de vrouwen hoeren. Verraders beloofden handelaars een veilige doorgang maar lieten de schepen op de klippen varen. De koning dreigde een regiment soldaten naar het gebied te sturen om orde op zaken te stellen, maar zover zou het niet komen.

Er werd gemoord en geplunderd totdat de mist vanuit de bergen terug over het water kwam. De zonden van het dorp waren nu opnieuw aan het blote oog onttrokken. Onder het deken van de mist leidde de zeemeermin schepen op de klippen en deze werden als vanouds door de inwoners van het dorp geplunderd. Omdat de handel belangrijker was dan de misdaden van het dorp, kon de koning niks anders dan de kleine zonden van het dorp te vergeven. Vanaf dan werd er nooit meer op de zeemeermin gejaagd. Haar liederen waren het dorp te kostbaar.

gepubliceerd om 19:54 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


20.9.05
De Koning Zeevaarder (wetenschap)
gepubliceerd om 10:56 | bookmark - print - mail

GEHEIMNISSEN DER OUDE RONDSTENEN ALTAREN DER AWARULEN-EILANDEN Uit Prof. Dr. A. Kielmann, "Geheimnisse des Paleo-Rundsteinaltare der Awarule-Inseln", Kölner Buchverlag, 1926.

Abstract :
De befaamde beelden der Awarulen-eilanden zijn onstaan uit phallische votief-stèles die tot doel hadden de akkers ritueel te bevruchten.
Deze stenen werden bewerkt met abstracte of figuratieve ogen en gezichten, maar waren oorspronkelijk enkel in het binnenland te vinden (land-cultus).Een droogteperiode liet de akkers echter verdorren en maakte het volk afhankelijk van den visvangst. Sindsdien worden de votiefstenen ook naar de zee gericht, en vaker nog tweezijdig uitgewerkt : met één hoofd naar de zee en één hoofd naar het land. Op den top van het beeld werd in een kuil een jonge boom geplant, symbool van nieuw leven.


Mysthiek en geheimzinnigheid hebben immer de steenen, dubbelkoppige beelden van Palawai omgeeven. Weinig bekend is echter hunne lange en boeiende voorgeschiedenis. Deze tekst geeft een eerste kader voor den geinteresseerde onderzoeker.

Den Awarulen-eilandengroep.
Den eilandengroep van de Awarulen, waartoe Palawai behoort, is met zekerheid bewoond sinds 12000 v.C. De inboorlingen zijn van Nolitarctische afkomst, en zijn vermoedelijk op zeewaardige vlotten of bootjes met de Zelda-stroom naar de Awarulen gevaren (Nohrman et al.,1919).
Zoals bij zoveele eiland-volkeren is ook bij de Palawai een belangrijke vruchtbaarheidscultus ontstaan. Op afgelegen eilanden, immers, kan een dalend geboortecijfer niet door immigratie gecompenseerd worden.
Uit dezen vruchtbaarheidscultus zijn de befaamde Palawai-beelden ontstaan, welker ontstaansgeschiedenis wij nu zullen schetsen :

11.000 tot 10.000 v.C. : het vroeg-palawai.
Onbewerkte zwerfstenen worden rechtop in den grond gestoken, en krijgen geschilderde of gehouwen spirituele ogen ("notai"). De beelden zijn maximaal een meter hoog en staan aan cultusplaatsen of belangrijke wegen opgesteld.
Hun vorm moet als phallisch geinterpreteerd worden, de stenen zorgden voor een rituele bevruchting van de akkers.

10.000 to 8500 v.C. : het midden-palawai en de fecundi-mari
In het midden-palawai worden de stenen steeds verder bewerkt. De phallische vorm wordt steeds duidelijker, met onderscheid tusschen schacht en glans.
Aanhoudende droogteperiodes zorgen voor verschraling van de akkers, waardoor de bevolking afhankelijk wordt van de rijke visgronden aan de havenstad Zonota, bij de Tiro-stam. Uit dank en om verdere goede vangsten af te smeken werden de zgn. "fecundi-mari" (zee-bevruchters) opgesteld : rondstenen met phallischen vorm, maar naar de zee gericht. Het besef, dat zowel de akkers als de zee nodig zijn om het volk te voeden, heeft in deze periode zijn oorsprong. Dit besef zal ertoe leiden dat de beelden steeds vaker tweezijdig uitgewerkt worden, naar land én zee toe.

8500 tot 8000 v.C. : het laat-palawai
De stèles worden steeds groter, tot 4 ‡ 5 meter hoog.
Spiralige lijnen worden toegevoegd op de glans, de zgn. "vruchtbaarheids-lijnen". De werkelijke anatomie van den phallus wordt verder uitgewerkt, met een kuil op de top van het beeld.

8000 tot 2600 v.C. : onori
De gestyleerde notai-ogen worden eerlang vervangen door abstracte vormen, die in het laat-onori (figuratief onori) ook ingewerkt worden als nissen tot 50 cm diep, waarin dikwijls sporen te vinden zijn van "pupillen" : rolrond gemaakte stenen, soms kleien of zelfs rieten bollen (Langohr, 1923).
Deze periode toont ook eerste duidelijke aanwijzingen van beplanting van de kuil in den top van het beeld : in verderzetting van het beeld van den levengevende phallus wordt in deze kuil (typisch ongeveer 1 kubieke meter) aarde aangebracht en ingeplant met een jonge boom (vaak Seralis sp., ook Notera en Glentzia).

2600 tot 520 v.C. : zonotisch (postfiguratief onori).
Het eertijds abstracte gezicht van de beelden is nu volledig uitgewerkt, ook oren worden toegevoegd, en den hals wordt van de romp onderscheiden. Alle beelden uit deze periode zijn tweezijdig, en hebben beplanting in de kuil. De kleine boompjes, die eertijds in de kuil gezet werden, zijn heden vaak tot enorme stronken uitgegroeid, die met hunne wortels vaak het merendeel van het beeld bedekken, wat een zeer lieflijk gezicht oplevert.

520 v.C. : het einde van de Palawai-beschaving.
520 wordt gezien als het einde van de Palawai-beschaving, met de invallen van de Nolitarctische volkeren op Palawai zelf en het verval van de ( kleinere) culturele centra op Honota en de andere Awarulen door de daaropvolgende pest-epidemie.


Prof. Dr. A. Kielmann, Scharfurt 1926.


bibliographie :

Nohrman, Köppke & Langohr, 1919.
"Entstehungsgeschichte des alten mid-Nolitarktische Reich",
Prozessus Nat. Geophysik no. 31, Z. 45 bis Z. 53.
Langohr, 1923.
"Bemerkingen betreffende de palawai-votiefsteles van Onori".
Heelnederlandse tijdingen der Archeologie no.12, p. 18.

gepubliceerd om 10:56 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


De Koning Zeevaarder (sprookje)
gepubliceerd om 09:50 | bookmark - print - mail

Er was eens een vulkaan op een eiland in de zee. De vulkaan had een jeugd van vuur en luidruchtige uitbarstingen gekend maar was nu oud en stil geworden. Hij spuwde geen vruchtbare lava meer en was enkel nog gekroond met een amper zichtbare rookzuil. Z'n vurige haren was hij lang geleden al verloren. Z'n krachtig bijtende adem was een hees sissend gehijg geworden.
Rond die vuurberg lag een vredig koninkrijk en op de vruchtbare hellingen van de vulkaan bloeiden twee steden. In de ene stad woonden vissers die met kleine bootjes de koraalriffen rond het eiland bevisten. Iedereen bewonderde hen om hun timmermanskunsten want ze hadden het eiland de prachtigste houten huizen geschonken. Rond de andere stad bewerkten boeren de vruchtbare vulkaangrond. Ze verbouwden er dikke sappige maïskolven, het fijnste graan en de zoetste suikerbieten. Hun koks stonden op heel het eiland bekend om hun heerlijke gerechten. Omdat de vulkanische grond zo vruchtbaar was en de koraalriffen zo vol vis zaten was er voedsel in overvloed. Gedurende vele generaties ging het rijk over van koning op koningszoon en er was altijd vrede. Niemand anders wist immers van de pracht en de rijkdom van dit verloren eiland in het midden van de oceaan.

Op een goede dag erfde een nieuwe koningszoon het rijk van z'n vader. Als prins was hij een onbezonnen dromer geweest en ook als jonge koning wou hij een spannend leven leiden. Hij droomde van een leven vol heldendaden. Vechten met vuurspuwende reuzendraken. Nieuwe wonderbaarlijke landen verkennen.
Prinsessen redden uit de hoogste torens. Demonen verdrijven.
Grootse veldslagen winnen. Eigenlijk vond hij z'n nieuwe koningschap een beetje saai. Toen de verlokkingen van z'n paleis hem niet meer bekoren konden besloot hij op ontdekkingsreis te gaan.

Hij liet de vissers krachtige schepen bouwen om de zeeën te verkennen. Die liet hij bevoorraden door de boeren zodat niemand op de boottochten honger zou lijden. Z'n ontdekkingstochten waren een groot succes en het volk eerde hem om z'n moed en om de vreemde en nieuwe schatten die hij van z'n tochten terugbracht. Vanuit het land in het noorden bracht hij de warme vacht van sneeuwkonijntjes zo wit als kokosmelk. Vanuit de eilanden in het zuiden bracht hij een nieuwe plant waarvan je met de donkere bonen een magisch versterkende drank kon brouwen. Vanuit het oosten bracht hij smaken die nog niemand geproefd had. Al deze schatten hadden hun prijs, want onderweg leerde hij ziekte, vermoeidheid en zelfs de dood kennen. De tochten waren lang en gevaarlijk en niet alle bemanningsleden kwamen levend terug. Maar zolang hij op ontdekkingsreis kon vertrekken had de tijd geen greep op hem en leek hij niet ouder te worden. Daarom verkende hij steeds verder de zeeën rond het eiland. Hij zou de koning zijn die alle gevaren op het water bedwongen had. De koning die zijn volk rijkdom en macht geschonken had. De koning die van alle koningen het meest geroemd werd. Dit zou z'n levenswerk worden en hij zou er altijd mee doorgaan. Zolang hij reizen kon had hij immers de eeuwige jeugd.

Z'n reis naar het Westen was gevaarlijker dan alle andere. In open zee kwamen ze een grijs geschubd zeemonster tegen dat dwars onder hun vloot door zwom, zich keerde en het voorste schip natspoot met een krachtige straal zeewater die het van tussen z'n vlammende ogen schoot. Kort daarop werd de bemanning van dit schip geteisterd door een mysterieuze dodelijke ziekte. De chirurgijn kon niks doen voor de zieken en vanaf dan zeilde het schip afgezonderd van de vloot onder de zwarte vlag van de pest. Niemand mocht het schip verlaten en al snel liep het ziekenschip achter op de rest van de vloot want vele mannen waren gestorven en het werk verliep trager.

Zo kwam het dat het ziekenschip een dagreis achter lag op de rest van de vloot toen deze aanmeerde aan een nog onbekend eiland ergens ver in het Westen. Net zoals thuis was er op dit eiland een vulkaan, maar deze was wel actief. Lange gele vingers lava stroomden langs de hellingen en stortten zich in zee. De vulkaan rommelde en gromde telkens hij in wilde uitbarstingen grote rotsblokken in de lucht spuwde. Vanuit de top van de berg steeg een grijze rookkolom op en het eiland was overal bedekt met de witte as van z'n uitbarstingen. De koning en z'n bemanning bekeken dit alles met verwondering en angst.

Op het strand van dit mysterieuze eiland stond een lange rij van tweekoppige stenen kolossen. De beelden hadden geen lichaam, enkel twee hoofden en keken met een holle blik over het stille water. Ze leken de boten van de koning te bespieden en telkens de vulkaan gromde was het alsof de kolossen spraken. Dit waren geen gewone beelden, want elk beeld had twee paar ogen, twee paar oren, twee neuzen en twee monden. Alsof twee mannen rug tegen rug met elkaar versmolten waren. De ogen van het ene hoofd verkenden de oceaan en de mond van het andere hoofd waarschuwde de bewoners van het eiland voor komend gevaar.

Dat eiland was dus bewoond en de bewoners waren indringers vijandig gezind. De inboorlingen waren ook listig want ze zonden hun naakte vrouwen naar het strand om de boten te begroeten. De bemanning was hun angst onmiddelijk vergeten en wilde maar al te graag aan land gaan. Maar de koning liet dit niet toe. Hij beval iedereen aan boord te blijven en te wachten tot het ziekenschip aangekomen was. Zo bleef de bemanning dus een dag en een nacht wachten terwijl op het strand de naakte vrouwen hen probeerden te lokken met de mooiste dansen, de zoetste vruchten en de lekkerste wijn.

Toen het ziekenschip aangemeerd was beval de koning de zieken onmiddelijk aan land te gaan en het eiland te verkennen. Maar de mannen waren nog maar amper uit hun schip toen vanachter de beelden een leger gewapende eilandbewonders kwam die de zieke en verwarde bemanning tot op de laatste man uitmoordde. De koning besloot dat er geen rijkdom te vinden was op dit eiland, beval rechtsomkeer te maken en huiswaarts te zeilen. Z'n tocht was mislukt en het was alsof hij op slag tien jaar ouder geworden was.

Eenmaal terug thuis liet de koning de vissers wapens smeden en schilden maken. Voor het eerst in haar geschiedenis zag de vulkaan een leger van boeren en vissers oefenen langs haar flanken. Toen een jaar later het leger klaar was ging de koning terug naar het mysterieuze eiland, vastberaden om zijn vijand definitief te verslaan en het bloed van z'n volk te wreken.

Maar de bevolking van het onbekende eiland was verzwakt door de pest die samen met de zieke bemanning aan land gekomen was. Ditmaal was de overwinning makkelijk en definitief. De koning liet mannen, vrouwen en kinderen uitroeien en beval z'n soldaten één van de grote tweekoppige beelden uit te graven en mee te nemen naar huis.

Bij hun thuiskomst ontstond er meteen ruzie over waar het buitgemaakte beeld opgesteld zou worden. De vissers wensten het beeld in hun stad want het was met hun boten dat de ontdekkingsreizen begonnen waren. De boeren eisten dat het beeld bij hen opgesteld zou worden want hun graanvoorraden hadden de ontdekkingsreizigers en soldaten gevoed. Omdat de koning de vrede in z'n rijk wenste te bewaren beval hij het beeld in twee te klieven. Elke stad kreeg één kop en de koning droeg elke stad op hun eigen beeld te eren met bloedoffers.

De vissers begonnen met haring te offeren. De boeren een varken. Daarop de vissers een haai. De boeren nu een koe. De offers werden steeds groter en bloediger. Elke stad probeerde de andere te overtreffen in de gulheid van z'n offers en in de rijkdom van z'n tempels. Omdat beide steden elkaar steeds vijandiger gezind werden bleef de koning nu op het eiland om de vrede te bewaren en geschillen te beslechten.

Uiteindelijk kon de koning de ruziende steden niet meer uit elkaar houden. Het kwam tot een bloederige burgeroorlog om het vreemde beeld. Het bloed dat ooit enkel buiten z'n grenzen gevloeid had, werd nu vergoten in z'n eigen koninkrijk. De boeren vernietigden de vissersboten. De vissers staken ganse velden graan in brand. Boeren en vissers vielen elkaar zonder waarschuwing aan, enkel en alleen om het tweekoppige beeld te herenigen. Toen beide steden in de as gelegd waren en iedereen op de vlucht was, kleurde de hemel rood. Mannen van beide steden vergrepen zich aan de vluchtende vrouwen zonder onderscheid te maken in afkomst, leeftijd of familieband.

En alsof dit alles nog niet genoeg was, kwam ook de slapende vulkaan in opstand. Met woedende stoten spuwde hij roodgloeiende rotsblokken naar de vluchtende mensenmassa. De ene ving hij met z'n lange gele lavavingers. De andere verstikte hij met z'n giftige zwaveluitstoten. Nog een ander begroef hij onder een landverschuiving. De mensen hadden nu een gevaarlijker vijand aan de vulkaan dan aan elkaar.

De stokoude koning vervloekte nu het tweekoppige beeld dat hij op het eiland binnengehaald had. Hij vervloekte z'n jeugdige hoogmoed en naiviteit. In de hoop de woede van de vulkaan te keren beval hij aan z'n trouwste mannen de twee beelden te herenigen en te offeren aan de vulkaan.

Dit ging niet zonder slag of stoot, want zelfs nu nog verdedigden de vissers en de boeren de beelden met hun eigen bloed. De lijken stapelden zich op in beide steden, maar de koning bleef standvastig en uiteindelijk slaagde hij erin om beide beelden in de wijdopengesperde muil van de vulkaan te storten. Niemand zal weten of het toeval was, maar enkele dagen later was de woede van de vuurberg gestild.

Om de vissers en de boeren te verenigen en het volk aan het werk te zetten beval de koning een grote reeks beelden op het strand op te richten. Deze leken heel sterk op het beeld dat hij ooit zelf aan land gebracht had, maar hadden slechts één kop. Om bezoekers met open hart en zonder argwaan te ontvangen.

gepubliceerd om 09:50 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


9.9.05
De Drakenweefster (wetenschap)
gepubliceerd om 08:35 | bookmark - print - mail

Over de Teribiliptere vliegdraak Mygalovespula destructor Meg. ex Dier. uit de Droomgewesten.

De familie van de Mygalovespulae behoort tot de Teribiliptera, en heeft daarvan enkele typische kenmerken :

* de vliegblaas, waardoor deze enorme dieren schijnbaar moeiteloos kunnen "vliegen" (in feite zweven ze vooral).

* het gebruik van vuur als primaire jacht- en verdedigingstechniek, hetgeen natuurlijk in grote mate een uitvloeisel is van de met (brandbaar) gas gevulde vliegblaas.

De Mygalovespula (trouwens de Resorpideae in het algemeen) hebben het gebruik van vuur tot grote verfijning gebracht door additie van vaste substanties aan de vlam. Hierdoor legt het vuur minder beslag op de kostbare voorraad waterstofgas, die zo nodig is om te blijven zweven. De voorraad vaste stof is ook makkelijker aan te vullen in vergelijking met het waterstof, dat door vertering van de prooidieren moet verkregen worden. De Resorpidae hebben zich dan ook tot ver buiten de Droomgewesten verspreid.

Jacht.
De Mygalovespula voedt zich met kleine, weinig weerbare prooidieren: koeien en schapen, mensen, olifanten en kleine walvissen. De prooi wordt eerst met een vuurstoot geneutraliseerd, vervolgens landt het dier om te eten. Vuur is kostbaar, en de Mygalovespula zoekt steeds naar grote aggregaties van prooidieren, zoals opgesloten vee, huizen vol mensen, kuddes van waterdieren en grote legers op een slagveld.De Mygalovespula is niet kieskeurig : zij zal ook aas eten als het beschikbaar is. Een rottend karkas van een aangespoelde walvis, of de lijken van een zware epidemie of oorlog.

Vertering
De prooi wordt hooguit verscheurd, nooit gekauwd (kiezen ontbreken) en ingeslikt. Een deel van het eten kan in de krop bewaard worden voor de jongen in het nest ( Mygalovespulae kennen zeer liefderijke broedzorg), de rest gaat verder naar de maag. De "uitvinding" van de hydrogenale klier, zo'n 254 miljard jaar geleden, is cruciaal geweest in het gebruik van vuur. Het hydrogenine-enzym (1,2- deoxycarboreductase) zorgt voor de omzetting van methaangas (uit de rotting van het ingeslikte voedsel) naar waterstofgas en vaste, pure koolstof :

CH4 ==> 2H2 + C (neerslag)

Lang heeft men gedacht dat het neergeslagen koolstofpoeder gebruikt werd in de vlam, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat er geen verbinding is tussen spijsvertering en vuurnet, anders dan via de vliegblazen (waar enkel gas wordt opgeslagen). Het koolstof verlaat het lichaam dus met de gewone uitscheiding.

Het uit de maag opborrelende H2-gas wordt langs de pylorische klep rechtstreeks in de primaire vliegblaas gevoed,of bij teveel terug naar buiten via de mond. Vanuit de primaire vliegblaas kan dmv. spieren en sfincters (sluitspieren) gas gestuwd worden naar de secundaire en tertiaire vliegblazen, waardoor de stand van het lichaam in de lucht kan veranderen. Bij de voorbereidingen voor een vuurstoot wordt ook de ejaculatieblaas met H2 (vanuit de 3e vliegblaas) gevuld. Dit gas, door extra spieren nog eens onder druk gezet, zorgt voor het uitstoten van het vuurnet en zodoende voor de initiele kracht van de vlam.

Vuur : brandstoffen
Bij de Resorpidae zorgt waterstofgas (H2) voornamelijk voor de "stoot" van de vlam, niet zozeer voor de brandstof.
De brandstof bestaat uit een gesponnen net van dunne zijde, waarin fijne vaste deeltjes verwerkt zijn.
Deze deeltjes bestaan uit :

* zwavel, ong. 20%
* houtskool, ong. 20%
* salpeter (KNO3), ong. 60%

Tesamen vormt dit een licht ontvlambaar poeder, dat echter mede door de inkapseling in de zijdedraden, nooit spontaan tot explosie komt.Geen van deze stoffen komen het lichaam binnen via de voeding, zoals vroeger werd aangenomen.
De Mygalovespula heeft een zeer scherp ontwikkelde reukzin, en weet feilloos deze stoffen te vinden :

* houtskool op uitgebrande bossen, of in de ruines van eerder aangevallen huizen.
* zwavel in fumarolen en op vulkaanhellingen.
* salpeter in ondergrondse aders, die met de klauwen uitgegraven worden.

Een enkele keer kan een voorraad buskruit alle stoffen ineens leveren. Sommige individuele Mygalovespulae hebben zich dan ook ontpopt tot echte "oorlogsvolgers", die op een slagveld al hun prooien en brandstoffen halen.

Om de stoffen op te nemen landt de Mygalovespula, en brengt de resorptiepalpen boven de stof.. Slijmklieren bedekken de plaats met slijm en door een ingenieus netwerk van bloedvaten (resorptienetwerk) worden de stoffen in het lichaam opgenomen en naar de poederklieren gebracht. Deze poederklieren werken tesamen met de spinklieren om uiteindelijk het vuurnet te produceren.

Vuur : de stoot
De inwendige ruimte rond het vuurnet is enigszins versterkt met chitine, maar niet genoeg om de hoge temperaturen van de verbranding lang te weerstaan. Ook de resorptiepalpen aan het abdomen zijn te gevoelig voor hitte om de (weliswaar beheerste) explosie in het lichaam te laten plaatsvinden.
Hoge-snelheidsopnames van de vuurstoot laten een ander beeld zien :

*1* in het abdomen zit het opgerolde vuurnet klaar : een luchtige "ballon" van draden met hun brandbare inhoud.

*2* De ejaculatieblaas wordt gevuld met H2-gas en door spieren onder druk gezet.

*3* net buiten het abdomen spinnen tepels een peroxidenet : dit is analoog aan het vuurnet, dus opgebouwd uit fijne zijde, maar zit vol microscopisch kleine blaasjes met waterstofperoxide (H2O2) in een voor levende wezens verbluffend geconcentreerde vorm : 80% !!

*4* Het abdomen wordt naar de prooi gericht. Hierbij spelen de proprioreceptoren van de naar beneden bungelende palpen een belangrijke rol : zij "voelen" de stand van het lichaam.

*5* De ejaculatieblaas wordt geleegd in een of twee snelle stoten van maximaal 0,05 seconden.

*6* Deze stoot van waterstofgas drijft het vuurnet naar buiten.

*7* bij het verlaten van het abdomen blijft het peroxidenet aan het vuurnet kleven.

*8* Het vuurnet (en peroxidenet) laat los van het lichaam. We hebben nu dus een ragfijn ballonetje van zijde met brandbaar poeder, gevuld met H2-gas.

*9* De reactie tussen peroxide en de stoffen in het vuurnet doet het geheel ontvlammen, op een plaats veilig buiten het lichaam, en een eind verwijderd van de pedipalpen (het vlampunt).

Het gehele proces neemt minder dan 0,1 seconde in beslag.

Na een aanval kan het enkele uren duren voor een nieuw vuurnet aangemaakt is, maar indien nodig kan gevuurd worden met enkel H2-gas en een (in seconden gesponnen) peroxidenet. Uiteraard gaat dit na enkele keren ten koste van het vliegvermogen, en er zijn gevallen bekend van Mygalovespulae die bleven vuren tot ze uiteindelijk niet meer konden vliegen. Een kruipende Mygalovespula heeft nog steeds weinig vijanden te duchten.

Voortplanting
Door hun grote vleugels kunnen Mygalovespulae elkaar niet in de lucht benaderen. Toch vindt de balts plaats in de lucht, met een angstwekkend-sierlijk ballet van synchroon vliegen en vuurstoten. De paring vindt plaats op de grond. Het mannetje heeft één van zijn speciaal gemodificeerde grijppoten ter beschikking om een spermapakketje uit zijn abdomen op te halen. Dit pakket wordt op de paringsplaats (bij voorkeur een verbrand stuk bos) neergelegd, waarna het wijfje bij de voorste vleugel gepakt wordt en heel voorzichtig over het pakket wordt gemanoeuvreerd. Na zestien weken worden de eieren gelegd in een gegraven geul, en door beide ouders aggressief bewaakt.Beide ouders zorgen ook de eerste jaren voor de kroost, die ze voeden door oprisping van in de krop bewaarde prooien.

Dempsey Norman.



De auteur is hoofd van het departement Imaginobiologie aan de Utopia University van Wanakanakee. Van zijn hand zijn de belangrijkste naslagwerken over de vliegende fauna van de Droomgewesten.
Als autoriteit op het gebied is hij tevens hoofdredacteur van het gerenommeerde
Proceedings of the Wanakanakee Society for Teribilipterian megafauna.

gepubliceerd om 08:35 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar


Creative Commons License

AUTEURS

!?! WABLIEFT !?!

Er waren eens... twee kleine jongens, die nooit echt groot geworden zijn. Ze leefden in een land waar het koud was, en nat. De straten waren grijs, de huizen waren grijs, en grijs waren ook de kleren. Ten lange leste had het grijs zich ook genesteld in de hoofden van de mensen : hun gedachten waren gewikkeld in laag na laag van schuchterheid, bescheidenheid en ratio. Meer.


RECENT

ARCHIEVEN

    07.17.2005
    07.31.2005
    08.07.2005
    09.04.2005
    09.18.2005
    10.02.2005
    10.09.2005
    10.16.2005
    10.23.2005
    11.06.2005

RSS

COPYRIGHT

Creative Commons License